"Ik lees nauwelijks fictie. Onder ons gezegd en gezwegen, ik vind het iets voor verveelde huisvrouwen. Fictie. Dan Brown heb ik gelezen, omdat zoveel mensen dat kochten. Ik dacht, eens kijken of de massa smaak heeft."

— Arnon Grunberg, schrijver

FIXEREN OP FICTIES

Wat verstaan we eigenlijk onder (non-)fictie?

door


Alhoewel de grenzen langzaam wat lijken te vervagen - schrijver Frank Westerman zou ze het liefst zien verdwijnen - wordt in de boekenwereld vooralsnog een onderscheid gemaakt tussen fictie en non-fictie. Auteurs die in beide genres actief zijn komen niet zo heel veel voor. In de praktijk zien we wel steeds vaker een tussenvorm opduiken die zich lastiger laat duiden. Een genre dat door de Amerikaanse schrijver Lee Gutkind werd vergeleken met 'jazz' en door Elsbeth Etty in de NRC zelfs de typering 'mishandeld begrip' meekreeg. Zij doelde hiermee op de literaire non-fictie, die overigens ook wel wordt aangeduid met creatieve non-fictie of het treffende Engelse woord 'verfabula'.

Libersyne richt zich specifiek op auteurs die in het non-fictiegenre willen publiceren. Wat hier precies onder valt en hoe non-fictie zich verhoudt tot de andere varianten, zal ik in het kort voor je uiteenzetten.


Fictie

Bij dit genre staat in de eerste plaats het vermaak voorop. Fictie is - etymologisch bezien - afkomstig van het Frans-Latijnse woord fictus dat geveinsd betekent. En 'iets' veinzen is eigenlijk precies wat een fictieschrijver doet wanneer hij denkbeeldige gebeurtenissen en mensen in zijn boek beschrijft. Een sprookjesschrijver, zeg maar, of toch niet?

Nou nee, over het algemeen zou je kunnen stellen dat fictie zich kenmerkt door een aantal literaire eigenschappen die het werk waardevol maken. Die waarde zit hem in het feit dat het verhaal zich richt op iets dat groter is dan alleen een vertelling. Bijvoorbeeld doordat het ook als commentaar op belangrijke sociale, maatschappelijke of politieke kwesties kan worden beschouwd. De personages en hun setting zijn weliswaar fictief, maar kunnen deels zijn geïnspireerd op het echte leven, echte mensen en daadwerkelijk plaatsgevonden gebeurtenissen. De auteur heeft daarbij een grotere eigen invulruimte dan een non-fictieschrijver, omdat het feitelijk niet correct hoeft te zijn.

Zo bevat het fictieboek Haar naam was Sarah van Tatiana de Rosnay weliswaar een fictief hoofdpersonage, maar is het geïnspireerd op een waargebeurde razzia in Frankrijk tijdens de Tweede Wereld oorlog. Ook zitten er diepere sociaal-maatschappelijke boodschappen opgesloten in het verhaal. Zoals het belang van innerlijke rust en het kiezen voor je zelf, maar bovenal de herinnering aan een gruwelijke gebeurtenis waarover zo weinig bekend is.

Volledigheidshalve zou je ook nog het onderscheid kunnen maken tussen realistische fictie, waarbij iets daadwerkelijk gebeurd zou kunnen zijn of ooit werkelijkheid worden, en niet-realistische fictie dat handelt over gebeurtenissen die niet mogelijk zijn naar aardse opvattingen. Denk bijvoorbeeld aan het sprookjesachtige Splintered van schrijfster Anita Grace Howard dat is geïnspireerd op een onevenaarbare fantasiewereld.

Een ander belangrijk kenmerk van het fictiegenre is de gehanteerde schrijfstijl. Deze wijkt af van die we tegenkomen in non-fictieboeken. Bij fictie is het opbouwen en vaak geruime tijd vasthouden van de spanning - meestal tot het eind - bijvoorbeeld erg belangrijk. Veel opgeworpen vragen blijven daardoor lange tijd openstaan. Dit in tegenstelling tot non-fictieboeken waarbij veel meer het concreet weergeven en benoemen van informatie en feiten voorop staat. De representatie hiervan wordt zo gekozen dat antwoorden logischerwijs voortvloeien uit de voorafgaande redenering of overwegingen. Een ander verschil zit tenslotte in de voor fictie benodigde (psychologische) karakterisering van personages en de vaak daarvoor gebruikte dialogen.

Samenvattend omvat fictie alle geschreven werken die zijn bedacht of verzonnen door de auteur, zoals romans, korte verhalen en gedichten.


Non-Fictie

Anders dan het hiervoor besproken fictiegenre, is het belangrijkste kenmerk van non-fictie dat het betrekking moet hebben op echte mensen, plaatsen en evenementen. De daarop gebaseerde non-fictieverhalen moeten eveneens waar zijn. Theoretisch betekent dit ook dat een non-fictie verhaal bij gebleken onwaarheden, achteraf toch als fictie moet worden betiteld.

Een opmerkelijk voorbeeld zijn de non-fictieboeken van zevenvoudig tourwinnaar en schrijver Lance Armstrong. De boeken gaan over het leven van de tourwinnaar en de wijze waarop hij in de wielersport de top bereikte. Nadat echter in 2012 wereldwijd bekend werd dat zijn succes uit doping voortkwam, verdween in een klap ook de geloofwaardigheid van zijn inspirerende verhalen. Een medewerker van de Manly Bibliotheek in Australië speelde hier ludiek op in; voor de leeszaal plaatste hij een bordje met de aankondiging dat de non-fictieboeken van Armstrong zouden worden verplaatst naar de fictiesectie. Een actie die het management van Manly niet echt kon waarderen, maar dat terzijde.

Verder dient non-fictie feitelijke informatie te bevatten waarvan de echtheid kan worden aangetoond of door anderen geverifieerd. Niettemin kan een schrijver ervoor kiezen bepaalde feiten in een specifiek licht te tonen of zo te selecteren of te ordenen dat ze aansluiten bij de boodschap die hij wil overbrengen. Daarin zit dus wel enige vrijheid die ruimte laat voor beeldvorming. Niettemin moet het verhaal wel zijn opgebouwd met feiten en zullen de aangedragen concepten altijd gebaseerd zijn op echte, realistische situaties. Je zou daarom kunnen stellen dat bij non-fictie het overdragen van informatie centraal staat, die zijn oorsprong vindt in de werkelijkheid (zoals de auteur die ervaart).

Typische non-fictie uitingen vinden we in algemene informatieve boeken, wetenschappelijke werken, studieboeken, essays, reisgidsen en tijdschriften.


Creatieve Non-Fictie

Wanneer we de hiervoor besproken genres zouden combineren, komen we terecht in een genre dat we creatieve of literaire non-fictie noemen. Creatief, omdat deze non-fictievorm zich laat lezen als een roman met bijbehorende verhaalelementen, zonder de feiten geweld aan te doen. De karakters, de setting en het plot moeten uiteraard wel echt zijn en niet denkbeeldig. In die combinatie van dingen zit voor een deel ook het jazz-gehalte. Net als bij een goed non-fictieboek doet de auteur aan bronvermelding.

Wanneer bij creatieve non-fictie een techniek als dialoog wordt toegepast, kun je je afvragen in hoeverre de feiten hiermee niet te veel geweld worden aangedaan.* Deze stijl leent zich dan ook minder goed voor wetenschappelijke en algemene informatieve boeken. Het is voornamelijk bij de verhalende journalistiek, geschiedschrijving, biografieën en reisverhalen waarin we deze stijl tegenkomen.

Een ander element dat opvalt aan creatieve non-fictie is de sterke aanwezigheid van de auteur zelf in het verhaal. Het is veelal zijn perceptie of gevoeligheid die merkbaar doorschemert in het werk, gekoppeld aan een bepaald onderwerp. Deze vorm laat dan ook veel meer ruimte voor emotie en de persoonlijke (bijzondere) identiteit van de schrijver. Hetgeen nog een reden vormt waarom deze vorm niet echt geschikt is voor publicaties die in de (objectief-)wetenschappelijke sfeer liggen.


Tabel 1 De genres overzichtelijk naast elkaar
Fictie Non-Fictie Creatieve Non-Fictie
(On)realistisch onwaar (Verifieerbaar) echt Nagenoeg echt*
Gebruikt verbeelding Gebaseerd op feiten (en opinie auteur) Werkelijkheid met verbeelding beschrijven
Dialoog (karakters) Doel is om te informeren Combinatie
Spanningsboog Logisch gevolg Spanningsboog
Antropomorfologie Antropomorfologie onmogelijk Functionele antropomorfologie
© Libersyne 2019

Frank Westerman en Joris Luyendijk zijn voorbeelden van Nederlandse schrijvers die de literaire non-fictievorm verdienstelijk toepassen. Zij lijken elkaar te vinden in de overtuiging dat er geen objectieve werkelijkheid bestaat die voor iedereen hetzelfde is. Juist een ietwat subjectieve kleuring kan leiden tot een betere waarheidsvinding, al was het alleen maar vanwege het inzichtverhogende effect dat het op de lezer kan hebben. Maar het gaat het nog verder dan dat; beiden zien literaire non-fictie tevens als een antwoord op de in hun ogen beperkte visie van journalisten, waardoor misschien ook niet de illusie moet worden geschapen van een objectieve berichtgeving: dat zou namelijk per definitie misleidend zijn. Niettemin speelt hier het risico van het Heisenberg-effect waarbij de auteur een sturend onderdeel wordt van het onderwerp zelf, in plaats van deze objectief te observeren, hetgeen misschien meer met infotainment dan met waarheidsvinding van doen heeft.

De drie besproken fictievormen hebben dus zo hun eigen plek en functie binnen de (vak)literatuur. Het vrijelijk bespelen van de bestaande grenzen tussen fictie en non-fictie - zoals weergegeven in tabel 1 - zal de van oudsher bestaande scheidingslijn kunnen doen vervagen. Over de wenselijkheid daarvan zijn de meningen sterk verdeeld; toch kan men denk ik om een ding niet heen: bij non-fictie luistert de waarheid nauw, en wie dat gegeven (te veel) veronachtzaamt, maakt zijn verhaal ijdel.